Het gebouw: café De Unie

Archief / Beleef / Het gebouw / 03/05/2017

 

Het beroemde tijdschrift De Stijl werd in 1917 opgericht. Honderd jaar later gaat Kirsten Hannema naar Rotterdam, op bedevaart naar het bekende Stijl-café De Unie. 

Tekst: Kirsten Hannema

Omstreden was het Rotterdamse café De Unie, ontworpen door de Rotterdamse gemeentearchitect J.J.P. Oud, al vanaf de opening in 1925. ‘Een vloek in een beschaafd gesprek,’ zo omschreef de gezaghebbende architect Jan Verheul het ontwerp, een gevelcompositie als een Mondriaanschilderij, met blauwe, gele en rode accenten rond de belettering en lichtreclame. ‘De niet te beschrijven kleuren bezorgen het oog lichamelijke pijn,’ schreef architect en criticus Periscopius (een pseudoniem) in het Bouwkundig Weekblad.

Kunstenaar Theo van Doesburg, met wie Oud in 1917 het tijdschrift De Stijl had opgericht (maar met wie hij intussen ruzie had), betitelde het als ‘decoratieve gevelarchitectuur’. ‘Het was simpelweg veel te modern voor zijn tijd,’ zegt architectuurpublicist Paul Groenendijk (59), gezeten in het café, dat na het verwoestende bombardement in 1940 in 1985 is herbouwd aan de Mauritsweg. ‘Geestelijk leefden ze toen nog in de negentiende eeuw. Je moet bedenken dat het neorenaissancistische stadhuis net vijf jaar af was. Dat was hoe nieuwbouw eruitzag. Ze waren hier nog helemaal niet klaar voor.’

Groenendijk schreef samen met Piet Vollaard De Stijl Gids Nederland, die ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van deze kunstbeweging wordt uitgegeven. Hierin zijn honderd De Stijl-gebouwen opgenomen, waaronder De Unie – een van de iconen. Primaire kleuren en abstracte vormen, de integratie van architectuur, grafische vormgeving en beeldende kunst, en het gebruik van de ‘nieuwe’ materialen glas, staal, beton: alle Stijl-kenmerken komen samen in dit opvallende gebouw. Een nieuwe beeldtaal – daar waren de medewerkers van De Stijl naar op zoek. Die uitdrukking kon geven aan het moderne tijdperk dat met de Industriële Revolutie was ingeluid.

Ze wilden afrekenen met de klassieke beeldende kunst en de neo-bouwstijlen. Bakstenen gevels, ornamenten – dat was iets voor nostalgische types. Kiezen voor een bestaande stijl was zo onmodern. In hun optiek was er maar één weg – vooruit – die zou leiden tot een stijl: De Stijl. Aanvankelijk was Groenendijk huiverig om in De Unie af te spreken. Het interieur is compleet veranderd sinds zich twee jaar geleden een homobar in het pand vestigde. Het is nu een bruine kroeg, met (opgeplakte) bakstenen op de muren, houtsnijwerkbeelden van Griekse goden, nissen met glas-in-loodraampjes en zware velours gordijnen. Achter de bar hangt een gigantisch beeldscherm waarop clips
en films worden afgespeeld.

Op het eeuwfeest van De Stijl voelt dit toch als een soort heiligschennis. Maar eenmaal gezeten op een leren bank, met een warme chocolademelk en een broodje carpaccio dat ‘uitstekend’ smaakt, is hij allengs milder gestemd. Bovendien: verandering en De Unie horen bij elkaar. Het oorspronkelijke ontwerp was bedoeld als tijdelijke invulling van een braakliggend stuk grond aan de Coolsingel, tussen twee monumentale negentiende-eeuwse panden. Nadat het plan meerdere keren was afgekeurd door de schoonheidscommissie, werd de opdrachtgever, de heer A. Storm, doorverwezen naar gemeentearchitect Oud. Voor zijn ontwerp – de architect noemde het Spielerei – werd prompt een bouwvergunning verleend.

Maar de ontvangst door de architectuurpers was dus bijzonder negatief, en hoewel de gevel de aandacht trok, liep het café niet goed. Al na een jaar werd het verkocht. De nieuwe eigenaar, die een automobielgarage in het gebouw vestigde, verfde de hele gevel grijs en paste de belettering aan. ‘Dat vind ik het mooie aan het ontwerp,’ zegt Groenendijk. ‘Door de reclame-uitingen onderdeel van de compositie te maken, kun je die veranderen zonder de architectuur aan te tasten.’ Later werden die veranderingen overigens teruggedraaid, en werd het gebouw weer café. Maar met het bombardement op de stad in 1940 leek De Unie voltooid verleden tijd.

Tot in 1978 Hans van Zwienen, hoofd van de Dienst Stadsontwikkeling, ter gelegenheid van zijn 25-jarig ambtsjubileum het plan opvatte om het gebouw te reconstrueren. Hij bewaarde mooie jeugdherinneringen aan het café, en zag het als een potentiële trekpleister. Rotterdam had destijds weinig te bieden op het gebied van architectuur, en was naarstig op zoek naar een nieuwe identiteit die de leegte kon vullen die het bombardement had achtergelaten.

Wethouder Hans Mentink en burgemeester André van der Louw (allebei PvdA) vonden het een goed plan, en stelden voor om een gat in de straatwand aan de Oude Binnenweg op te vullen, maar omwonenden tekenden protest aan. In reactie op een open oproep in Het Rotterdams Nieuwsblad, onder de titel ‘Schrijf ons waar U De Unie wenst’, kwam een ontwikkelaar met een lege plek aan de Mauritsweg. Zwarte baksteen De Rotterdamse Kunststichting, die in 1981 een expositie over de architectuur van Oud had gemaakt, en sceptisch was over de herbouwplannen, vond dat als er dan per se een kopie moest komen, het in elk geval een goede moest zijn. In dat geval wilde de stichting er wel zijn kantoor vestigen.

Probleem was dat de locatie te ruim was voor het 10 meter brede pand. Daarom werd naast de gevel – nagebouwd
volgens de oorspronkelijke bouwtekeningen – door architect Carel Weeber een ‘passtuk’ ontworpen, in zwart baksteen. Op deze manier was er ook meteen een oplossing voor de toegang tot de achtergelegen expositiezaal. Boven het café is, iets teruggelegen ten opzichte van de straat, een dakopbouw toegevoegd met kantoorruimte. Het interieur stond los van de gevel. ‘Het had niets te maken met De Stijl,’ herinnert Groenendijk zich.

Het Van Doesburg-Rinsemahuis in Drachten is nu een museumwoning

Uit een map met tekeningen van het oorspronkelijke gebouw en krantenknipsels over de veelbesproken herbouw, diept hij een folder op van de Kunststichting, met een foto van het café. Het oogt chic en modern: gedekte tinten, roodgelakte tafels, zwarte stoeltjes, witte bollampen. Typisch jaren tachtig. ‘Het was mooi, al vond ik het vooral ook raar,’ zegt Groenendijk, die in Rotterdam woont en de herbouw van dichtbij heeft gevolgd. ‘Ik vind: als iets er niet meer is, dan is dat jammer maar helaas. De architectuur moet meegaan met zijn tijd.’ De reconstructie heeft ook iets paradoxaals. Dat wat Oud niet wilde – dat ontwerpers teruggrijpen op het verleden – werd nu explicieter dan met welke neo-stijl ook gedaan.

Maar dat het gebouw er nu is, vindt Groenendijk toch leuk. ‘De meesten vinden dat achteraf.’ Hij heeft nog een blauwe maandag gewerkt in het kantoor van de Kunststichting, ‘daar achter de blauwe letters’, wijst hij. Inmiddels is de gevel niet meer weg te denken uit het Rotterdamse straatbeeld. En wie weet nu nog dat het om een replica gaat? ‘Retro-architectuur is alomtegenwoordig, en nabouwen vinden we tegenwoordig heel gewoon. In China staat een evenbeeld van de Eiffeltoren, in Japan vind je Dutch Village. Sowieso is er nu veel meer aandacht voor renovatie en restauratie.’

Met de bouw van het nieuwe Centraal Station, de Markthal en de vele wolkenkrabbers langs de Maas, is er aan architectonische bezienswaardigheden geen gebrek meer in Rotterdam. Wat is de architectonische waarde van De Unie nog in 2017? ‘Het is een van de weinige uitgesproken De Stijlgebouwen die uiteindelijk zijn gerealiseerd. Een stijl die van grote betekenis is geweest voor de kunstwereld, wereldwijd, en die nog steeds inspireert. Kijk naar het interieur van de nieuwe sprinters van de NS, of de mondrianeske videoclip van zangeres Katy Perry.’ De Stijl is zeker ook van invloed geweest op architectuur.

‘Al zou je dat afgaand op dit bruine interieur niet zeggen.’ Nu ja, destijds wilde de uitbater van het café ook niet dat Oud zich bemoeide met de inrichting, zo leest Groenendijk voor uit een oud krantenartikel. ‘De uitbater wilde geen moderniteit, maar gezelligheid Rieten stoelen, een houten toog. ‘Dat is toch grappig om te weten. Hoe het er nu uitziet, is eigenlijk behoorlijk authentiek.’










0 Reacties


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

vier × 3 =

Tags: ,

Sanne Wolters
Sanne Wolters
Sanne Wolters is redacteur bij Elsevier Juist en schrijft stukjes voor de website én het blad.




Vorige artikel

Schoonheidsstatement: foto's van roodharigen

Volgende artikel

Wereldburger Bogotá





Misschien vind je deze ook leuk


Volgende artikel

Schoonheidsstatement: foto's van roodharigen

De Amerikaanse fotograaf Brian Dowling reisde zo’n twintig landen af om 130 vrouwelijke roodharigen te fotograferen voor...

03/05/2017