‘Heel gemakkelijk om zwartgallig en somber te zijn’

Archief / Ontdek / Wereldtoppers / 31/03/2017

 

Waarover hoogleraar filosofie en dichter Maarten Doorman (60) ook schrijft, zijn boeken moeten leesbaar  zijn, toegankelijk en relevant. In zijn strijd voor het behoud van bepaalde waarden weigert hij een brommerige oude man te worden die alles afkraakt.

Onlangs werd Maarten Doorman, cultuurfilosoof, dichter, columnist, dierenobservator, hoogleraar, gevraagd om het boek What’s the Use? in ontvangst te nemen, een uitgave van het Eindhovense Van Abbemuseum. Een lijvig boek over engagement in de moderne kunst. ‘Precies het soort boek waaraan ik een enorme hekel heb. Veertig artikelen, vijfhonderd bladzijden, zo’n groot dik boek. Ik zou daar spreken en in ruil zouden ze wat boekjes van mij neerleggen, voor de verkoop.

‘De avond was in het Engels, terwijl bijna iedereen Nederlands was. Mijn ergernis: deze mensen vormen een gesloten wereld. Tegelijk vinden ze het museum elitair, in hun jargon heet dat The White Cube, witte zalen vol moderne kunst die nergens meer naar verwijst. Ze zeggen dat kunst zich altijd met de maatschappij bemoeit en zich midden in de wereld begeeft. Ik stak dat boek omhoog en zei: “Op de vraag What’s the Use? is mijn antwoord: None. Geen nut. Jullie schrijven dat boek alleen voor elkaar, en van de veertig auteurs zijn er hooguit tien die misschien één ander artikel lezen.” Ik was me echt aan het opwinden, dus ik ging nog even door en legde uit wat volgens mij autonomie is. Dat vinden ze al snel een intellectueel verhaal dus dat zette me ook op achterstand.’

Het werd een gezellige avond. Niemand wilde nog met hem praten, zijn eerst nog zo toeschietelijke buurvrouw draaide haar rug naar hem toe, en het stapeltje van zijn boeken bleef onaangeroerd. ‘Ik sloot me maar aan bij een paar van die zielige mensen die nooit met iemand praten.’

Het oeuvre van Maarten Doorman zelf is omvangrijk en divers. Hij schreef of werkte mee aan 22 boeken. Daaronder De romantische orde, Rousseau en ik, en Denkers in de grond over de graven van filosofen. Geen romans, wel dierenverhalen. ‘Ik ben gefascineerd door de menselijke sentimentaliteit ten opzichte van dieren. Als je in het park een aantal mensen in uniform op hun knieën onder een struik ziet kruipen, ambulance met zwaailichten in de buurt, en ze hijsen na lang zoeken een gewonde duif uit het struikgewas… Ik vind het ontroerend. ‘Want onze omgang met dieren is schizofreen: aan de ene kant worden ze gezien als gelijk aan mensen, aan de andere kant worden ze bij honderdduizenden opgesloten, gemarteld, opgegeten.’

Het is niet makkelijk Doorman te omschrijven, daarvoor heeft hij te veel verschillende belangstellingen. Van het engagement van de kunst en de kunst straten namen te geven tot hoe dieren de wereld zien en de inhoud van het onderwijs. ‘Ik doe maar wat,’ zegt hij. Je zou hem ook een aanjager van het gesprek kunnen noemen: het gesprek over wat er belangrijk is in onze cultuur. Dat is kunst, maar dat zijn ook bepaalde waarden, vindt de hoogleraar.

Doorman draagt een blauw pak en heel korte sokken die de enkels bloot laten. Hij is geboren in Meppel en dat vervult hem met schaamte. Voor een discipel van Voltaire en Diderot is Meppel misschien wat nietig. Daarom zei hij in het verleden wel dat hij uit het Spaanse Medina Sidonia kwam, of uit het fictieve Fopjum.

‘Schopenhauer was een echte pessimist, ik vrolijkte er enorm van op’

Dat doet hij niet meer ‘want dat leeft voort op internet en dan wordt een grap een leugen.’ In zijn laatste boek, De navel van Daphne, begint hij meteen al provocerend. Eerste zin: Het Rijksmuseum moet dicht. Niet echt, natuurlijk. Maar je leest wel door.

Zijn boeken moeten niet te dik zijn, en duidelijk. Het heeft weinig zin om een hermetisch boek te schrijven voor de incrowd, zeker wanneer je je tegen die incrowd afzet. ‘Ik schrijf steeds minder academisch, omdat ik een groter publiek wil bereiken. Ik wil gelezen worden,’ zegt hij.

Doorman kiest de positie van kritische buitenstaander die zich, steeds als er iets nieuws gebeurt, afvraagt: wat is het? Waarom is het de moeite waard? Hij is de observator die even meedoet, dingen opschudt, en dan weer verdergaat. Dat enorme en voor veel geld opgepoetste Rijksmuseum zou beter kunnen worden gebruikt voor het tonen van hedendaagse kunst. Zoals het nu is, verhindert dat gebouw ‘ons om vooruit te kijken en te beseffen waar onze kracht in het heden ligt’.

De navel van Daphne ontstond, zoals vaker bij Doorman, deels uit ergernis. Een prima startmotor volgens hem. ‘Wim Pijbes, destijds directeur van het museum, werd die dagen op het schild gehesen, het Rijksmuseum was één groot succesverhaal, met dank aan hun geweldige publiciteit. ‘Maar in de pers klonk geen wanklank. Er werden twee portretten aangeschaft voor 80 miljoen euro terwijl net 200 miljoen euro was bezuinigd en veel eigentijdse kunst de nek was omgedraaid. Waarom heeft niemand moeite met zulke bedragen voor oude kunst en steigert de politiek als het aan hedendaagse kunst wordt uitgegeven? Wat zegt dat over onszelf en onze tijd?

Verdomhoekje
Maar dan moet je wel duidelijk kunnen maken waarom hedendaagse kunst relevant is, en daar gaat De navel van Daphne over. ‘Kunst zit in het verdomhoekje, tenzij het bij De Wereld Draait Door te zien was, met wijlen Joost Zwagerman.’ De kunst trekt zich al decennialang terug in een ivoren toren, maar heeft wel degelijk met het leven van alledag te maken, met geld, met een infrastructuur van musea, opleidingen, regelingen. En kunst, zo eindigt Doorman inderdaad optimistisch, kan nieuwe vergezichten openen, laat ons beseffen hoe we naar de wereld kijken, kan iets toevoegen aan ons leven.

Met zijn laatste boek wil Doorman prikkelen, en serieus worden genomen. Daarom vroeg hij subsidie bij het Mondriaan Fonds. ‘Dan hoor je erbij. Die wereld van de kunst is hermetisch gesloten. Een paar mensen horen erbij, de rest mag er geen deel van uitmaken. Ik heb met dit boek een paar keer in die wereld verkeerd, en ik word er verketterd met een felheid die moeilijk is te begrijpen.’ Niet alleen wil Doorman worden gelezen – hoe meer hoe beter – hij wil ook opwekkende boeken schrijven. Niet overdrijven natuurlijk, want opgewekte mensen zijn vervelend. ‘Als er tijdens een toneelstuk wordt gehuild, ga je vrolijk naar huis. Je kunt dus beter naar een tragedie gaan dan naar een blijspel. Want als bij dat blijspel uiteindelijk het doek valt, lijkt het of alles goed is afgelopen, terwijl je wel beter weet.’

‘Het is de valkuil van de ouder wordende man: alles van vroeger is beter’

Voor een fan van Arthur Schopenhauer (1788- 1860) moet het soms een hele toer zijn om niet mee te gaan in diens pessimisme. Van Schopenhauer is de uitspraak, dat hoop de verwisseling is van de verwachting dat iets gebeurt met de waarschijnlijkheid ervan. Wie zich in zijn werk verdiept, valt al snel ten prooi aan diepe somberheid. Doorman begon zijn studie filosofie met de studie van deze denker. ‘Hij kon geweldig schrijven. Een echte pessimist, ik vrolijkte er enorm van op.

‘Toen ik zelf ging schrijven en iets moest gaan vinden en beweren, vond ik dat pessimisme wel heel makkelijk. Het schermt je af: het is uiteindelijk een soort angst. Je moet nooit alleen maar mopperen. Ik heb heel erg de neiging, door Schopenhauer en door de dingen die me interesseren, om van alles te fileren en te laten zien wat er allemaal niet aan deugt, te ontmaskeren. Dat is ook belangrijk, maar het is te weinig. Waarom zouden mensen dat willen lezen? Ik vind dat je altijd het begin van een antwoord op die narigheid moet proberen te formuleren. Het is heel makkelijk om zwartgallig en somber te zijn.’ Pessimisme is gezond als je het aankan. ‘Het is neerdrukkend, en ik houd ook van vitaliteit en vrolijkheid en een goeie grap. Schopenhauer ook trouwens, die ging elke dag lunchen in het Englischer Hof in Frankfurt en dan nam hij het er goed van. Eigenlijk wil ik zowel het optimisme als het pessimisme.’

Valkuil
Doorman is bijna 60. Dan val je wel in de categorie ‘ouder wordend’. En zoals bekend hebben ouderen nogal de neiging om steeds terug te komen op vroeger. Toen ze jong waren, was alles immers beter. ‘Het is een verleiding en een valkuil om alles van vroeger beter te vinden. De valkuil van de ouder wordende man. Ik denk dat mannen daar meer last van hebben dan vrouwen, maar dat is misschien onzin.

‘Zo’n stuk wil ik nooit schrijven. Veel oude mensen zijn boos. Boos op hun ouderdom, boos op minder mogelijkheden, op het feit dat de wereld verandert, dat de bakens worden verzet en je je minder makkelijk aanpast als je ouder wordt. Omdat je meer bagage hebt, word je langzamerhand een soort olietanker. Aan de ene kant geeft dat kracht en stabiliteit. Maar het betekent ook dat je veel moeilijker kunt bijsturen en een soort vermoeidheid krijgt. Ik heb het allemaal al gezien. Ah, tout est bu, tout est mangé! schrijft de dichter Verlaine. Er valt niets meer te zeggen: rien à dire! Je krijgt de neiging om te veel te oordelen. Daarom ben ik blij dat ik lesgeef, dat ik word gedwongen om aan die jonge mensen iets uit te leggen wat ze niet begrijpen.’

Hij heeft het wel eens uitgerekend. Om een beetje leuk te kunnen leven, zou je op zijn leeftijd 60 miljoen nodig hebben. ‘Zes ton kan ook, maar dan moet je toch nog opletten. Stel dat ik helemaal niet meer over geld hoefde na te denken, dan nog zou ik absoluut les willen geven aan de universiteit. Ik erger me aan de onkunde van die jonge mensen. En dan moet ik nadenken over mijn eigen ergernis. Want ze zijn natuurlijk helemaal niet stom. Dan moet ik mijn bakens verzetten en dat is goud waard. Daarom ga ik graag om met jonge mensen.’

Ook al hebben zijn eerstejaars ‘totaal geen idee’. Ze hebben geen boeken gelezen, kennen geen namen, hebben van niemand gehoord. Als je cultuurfilosofie en cultuurgeschiedenis gaat studeren, vind ik dat je de naam Voltaire in elk geval een keer gehóórd moet hebben. Of Thomas Mann, Erasmus (dat is niet de ontwerper van die brug) of Descartes. Maar die namen zijn volkomen vreemd voor ze en dat geldt voor bijna al mijn studenten. Ik wil altijd graag eerstejaars studenten hebben, omdat ik die nog wat academische waarden kan bijbrengen. Het heeft geen zin om ze de grond in te boren en te zeggen: jullie kunnen niks en weten niks. Ze zijn, nogmaals, niet stom, het is ze alleen niet verteld.’

Doorman hecht aan de waarden van de afgelopen vijf eeuwen. Maar hoe houd je zulke waarden overeind in een digitale wereld die verandert waar we bij staan? En ook nog zonder een ouwe brompot te worden? ‘Een groot deel van mijn werk besteed ik aan de verdediging van wat je cultuur kunt noemen, of de canon, Bildung, op z’n Duits. Dat klinkt pathetisch en Don Quichotesk, daar ben ik me van bewust. Maar ik denk dat een aantal dingen in onze cultuur enorm de moeite waard is, dat dat te weinig wordt gezien en dat daar te weinig aan wordt gedaan. Literatuur, kunst, het publieke debat, de journalistiek, theater, mode. Eigenlijk allerlei zaken waarvan wij zeggen dat ze kwaliteit hebben.’

Shakespeare en Vondel
Een lastig pleidooi in deze tijd van duizenden beelden en overal schermpjes waar onze ogen onverbiddelijk naar afdwalen, al proberen we het nog zo tegen te houden, van korte mails in plaats van lange brieven en dagboeken?

Het begint bij onderwijs. ‘Wat willen we kinderen leren? Neem het idee dat je minderheden zou uitsluiten als je van ze verlangt dat ze weten wie Shakespeare en Vondel zijn. Nee. Door te zeggen dat ze dat níet hoeven te weten, sluit je ze juist uit. ‘We moeten ervoor zorgen dat onze kinderen de goede dingen leren op school. Daarover praten we nauwelijks. Ik vind bijvoorbeeld de iPad-school belangrijk omdat je zo kinderen kunt leren hoe ze zich tot die iPad moeten verhouden, niet om hem zo veel mogelijk te gebruiken.

‘Ze zouden moeten leren hoe het is als je zo’n ding hebt, en hoe je zelf kunt blijven bestaan ten opzichte van de algoritmen van het grootkapitaal: Apple en Google die op een listige manier je aandacht vragen en die je steeds meer opslurpen.’

Zoals het een filosoof betaamt, zegt Doorman, staart hij veel uit het raam van zijn Amsterdamse kantoor En wat ziet hij? Mensen die worden voortgestuwd door hun scherm, die in de grachtengordel lopen en amper weten waar ze zijn. ‘Leer kinderen op school de waardevolle dingen uit de cultuur te bewonderen. Ik zie kinderen liever naar musea gaan en kijken naar kunst dan dat ze tekenles of handenarbeid krijgen. Leer kinderen een gedicht te lezen en zich te verwonderen in plaats van de hele tijd te vragen of ze iets ‘leuk’ vinden.

‘Een aantal dingen in onze cultuur is enorm de moeite waard’

‘Het is heel goed om te weten hoelang er is gebouwd aan wegen en gebouwen; hoeveel bloed, zweet en tranen het heeft gekost om te komen waar wij nu zijn. Dat is niet uit de lucht komen vallen. Al klinkt dit wel erg als ouwelullenpraat.’

Zijn volgende plan? Misschien de dreigende teloorgang van het boek. Doorman vergelijkt die snell verwording van het boek weleens met de al even verbijsterend snelle ondergang, althans in ons land, van het christelijk geloof. ‘Dat was een kleine tweeduizend jaar zo belangrijk en dat is in de loop van één of twee generaties bijna helemaal verdwenen. Als ik naar mijn ouders kijk en naar mezelf, is het: wel geloof, geen geloof. Die overgang naar volstrekte secularisering is even groot en belangrijk als het verdwijnen van het boek.

‘Schrijven is meer in dan ooit: iedereen wil een boek schrijven, maar niemand wil boeken kopen. Er zijn tweeduizend kopers van poëziebundels, en 260.000 mensen die poëzie schrijven. De crisis van het boek is groot, een groot onderwerp dat me na aan het hart ligt. Griekse filosofen hadden redeneringen, al was Plato de eerste die ze opschreef.

Rond 1450 kreeg je de boekdrukkunst, een enorme stap. Boeken konden worden vermenigvuldigd. In de achttiende eeuw ging iedereen lezen en schrijven. Halverwege de vorige eeuw kwam de pocket. ‘Ik ben groot geworden in die bloeitijd: met die boeken, kranten, kunstbijlagen, opinietijdschriften. Nu is het lezen aan het verdwijnen ten gunste van het beeld. Het kijkdier in ons wordt veel beter geëxploiteerd. En dat boek, waarmee ik ben opgegroeid als een van de allerbelangrijkste dingen in ons leven en in onze cultuur, heeft in een moordend tempo aan status ingeboet.

‘Ik zou een ongelooflijk treurig verhaal kunnen schrijven over de teloorgang van het boek. Ik zou ook kunnen schrijven dat de grote negentiende-eeuwse roman het tot onze tijd heeft uitgehouden, en dat we in de twintigste eeuw weer iets moois kregen met diepgang: de film. Een film als La grande bellezza is een ongelooflijk mooie film, met diepgang. Ik ga dus geen ondergangsboek schrijven. Mijn lezer heeft recht op meer dan de diagnose.’

 

Dit interview komt uit Juist 34 (december 2016)









0 Reacties


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

13 + 11 =

Tags:



Vorige artikel

Haal meer uit je smartphone: fotografie

Volgende artikel

Ruim baan voor de connected car





Misschien vind je deze ook leuk


Volgende artikel

Haal meer uit je smartphone: fotografie

Juist duikt regelmatig in de wereld van de smartphones en ontdekt nieuwe technologieën, gadgets en apps. Deze keer alles...

30/03/2017