Het gebouw: Shell-Toren

De ontwikkelaars streefden naar een zekere ‘coolness’, toen zij goedkeuring kregen om een nieuwe bestemming te geven aan de iconische Shell-toren in Amsterdam-Noord. Hij moest een illustratie worden van het Amsterdam van de 21ste eeuw: een stad die wordt gedreven door de vrijetijdseconomie.

Tekst: Kirsten Hannema

Wat heeft de gloednieuwe A’DAM Toren te maken met het Paleis voor Volksvlijt, dat in 1864 werd voltooid en in 1929 door een brand verwoest? Architect Felix Claus (60), die het ontwerp van de toren maakte, beseft dat de vergelijking wat vreemd klinkt; de betonnen toren met zijn witte luifel en ‘kroon’ lijkt in niets op het stalen paleis. Maar hij ziet wel degelijk een analogie.

In 1851 bezocht de bekende arts en weldoener Samuel Sarphati (1813-1866) de Wereldtentoonstelling in Londen, waar hij het Crystal Palace zag. Diep onder de indruk was hij van de gietijzeren constructie met zijn tienduizenden ramen: een symbool van de industriële revolutie en het nieuwe tijdperk dat daarmee werd ingeluid. Hij bedacht om in Amsterdam ook zo’n modern hoogstandje te bouwen, en vond een mooie plek aan het Frederiksplein, waar nu De Nederlandsche Bank staat. Het Paleis voor Volksvlijt, zoals het gebouw werd gedoopt, werd het boegbeeld van de nieuwe stadsuitbreiding die rond de oevers van de Amstel verrees, en van het moderne Amsterdam. De bedoeling was om er publieke tentoonstellingen te organiseren, maar financieel bleek dat moeilijk rond te krijgen. Vermaak verkocht beter: kermissen, dansshows, een rolschaatsbaan.

Ruim 150 jaar later bedenken de vier ondernemers Sander Groet, Duncan Stutterheim, Hans Brouwer en Eric-Jan de Rooij van Lingotto om een ‘vermaakcentrum’ te bouwen in de opkomende buurt Overhoeks in Amsterdam-Noord: A’DAM, een klinkende afkorting voor Amsterdam Dance And Music. Het ‘te koop’-bord op de voormalige Shell-toren op de IJ-oever brengt ze op het idee voor een uitkijktoren met reuzenschommels op het dak en een ronddraaiend panoramarestaurant, gecombineerd met kantoren voor hun eigen (en andere) muziekbedrijven, een gigantische loft voor concerten en evenementen, een hotel en een nachtclub. De gerenoveerde toren groeit uit tot het icoon van ‘Noord’ en het Amsterdam van de 21ste eeuw: een stad die wordt gedreven door de vrijetijdseconomie.

Wat Claus van die ontwikkeling vindt? ‘Het is de nieuwe realiteit,’ antwoordt hij. Zelf zou hij weliswaar niet zo snel een ticket kopen om met de zogenoemde experience-lift – glazen dak, heftige muziek en knipperlichten – naar de skylounge te zoeven. Maar hij ziet dat het gebouw druk wordt bezocht. ‘Het beantwoordt aan een behoefte, het geeft uitdrukking aan de maatschappij zoals zij nu is.’

Hij vindt het ‘in menig opzicht een bizar project’, wat hij positief bedoelt. ‘Meestal werken wij voor overheden of ontwikkelaars die vooral bezig zijn om risico’s te beperken. Nu zaten we met een stel jonge honden aan tafel die met allerlei uitzinnige ideeën kwamen. Toen ze begonnen over een ronddraaiend restaurant, dacht ik: vergeet het. Maar met Amsterdamse bluf is het ze toch maar mooi gelukt.’

Welke rol speelt architectuur in deze wereld, waarin je 24 uur per dag plezier kunt bestellen? ‘We zochten vooral rust,’ vertelt Eric-Jan de Rooij (49) van de betrokken ontwikkelaar Lingotto in de membersclub op de 18de verdieping, vanwaar je rondom spectaculair uitzicht hebt over de stad. ‘Toeristen, hotelgasten, Amsterdammers – juist omdat er zo veel gebeurt en er allerlei gebruikers in het gebouw samenkomen, vonden we het belangrijk om de eenheid te bewaken. En we wilden een zekere coolness. Behalve voor het publiek moet de toren ook een inspirerende werkplek zijn voor de creatieven bij muziekbedrijven als ID&T, Gibson en Sony Music. Het betonnen skelet van het gebouw bood het sterke kader dat we zochten. Daarom hebben we besloten om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke architectuur te blijven.’

Windvaan
Nu ja, oorspronkelijk. De betonnen gevels, de witte luifel en de kroon – op het eerste gezicht lijkt dit inderdaad de toren die architect Arthur Staal in 1966 voor Shell ontwierp. Maar als je een foto van de oude naast de nieuwe situatie legt, zie je duidelijke verschillen. De ramen zijn een stuk groter. Het gebouw is verhoogd met twee ronde, glazen verdiepingen. Daarop is een nieuwe, verdiepingshoge luifel geplaatst, met daarin expositieruimte en een restaurant. En de kroon is voorzien van een 15 meter hoge ‘windvaan’ met het logo van Amsterdam. Maar wat vooral opvalt: de uitstraling is veranderd.

‘Het oude gebouw was ontworpen voor de onderzoeksafdeling van Shell. Het gesloten karakter paste daarbij, uitvindingen en gevoelige informatie werden afgeschermd voor het publiek,’ zegt De Rooij. ‘Maar het was ook doods. Je kon er niet naar binnen lopen, en door de spiegelglazen ruiten zag je niets. Ons idee was om de kwaliteit van het gebouw – hij wijst op het fenomenale uitzicht – met zo veel mogelijk mensen te delen.’ ‘Architectonisch was het voor mij de uitdaging om een andere persoonlijkheid te vinden bij het nieuwe leven van het gebouw,’ vult Claus aan. ‘Van een knorrig en geïsoleerd kantoor op afstand tot een stralend middelpunt.’

De gemeente was enthousiast over het plan, met een ongekende mix van functies, die voor een groot deel publiek toegankelijk zijn. Alleen met de vormgeving waren ze niet onverdeeld gelukkig. ‘Aanvankelijk was het ontwerp gericht op behoud van het bestaande beeld, ook al was het gebouw geen monument,’ legt Claus uit. ‘We zouden bijvoorbeeld de oude luifel terugplaatsen op de toegevoegde glazen verdiepingen. Maar de welstandscommissie vond dat niet passend, ze vonden dat we het best wat sterker mochten aanzetten. Dus hebben we de luifel met een dikke “mascara” bewerkt. We hebben de vloer “opgeblazen” van 25 x 25 naar 32 x 32 meter, ruimte voor een bar gemaakt en er vervolgens een “hoed” op gezet. De dakopbouw is behoorlijk grof, het is bijna camp. Maar het past, de verhoudingen kloppen weer. En het doet recht aan de architectuur van Staal, die was ook dik aangezet.’

Puzzel
De Shell-toren was ontworpen voor 350 kantoormedewerkers, die om 9 uur binnenkwamen en om 5 uur vertrokken. A’DAM ontvangt dagelijks tien keer zoveel mensen, die voortdurend in-en-uit lopen. ‘Het was logistiek een ingewikkelde puzzel,’ laat De Rooij zien aan de hand van een bontgekleurde doorsnede van het gebouw. ‘Je moet jaarlijks één miljoen mensen naar het dak zien te krijgen, maar die moeten ook op elk moment kunnen vluchten. De restaurants moeten worden bevoorraad, het afval moet afgevoerd, hotelgasten en kantoormedewerkers moeten van dezelfde liften gebruik kunnen maken zonder elkaar overlast te bezorgen.’

Claus: ‘En alles moest passen binnen de bestaande betonnen draagconstructie en de duurzaamheidseisen van de gemeente. Daarvoor hebben we technisch alles uit de kast moeten halen. Zo is de oude betongevel vervangen door geïsoleerde gevelelementen met loeizwaar, driedubbel glas. We hebben flink zitten rekenen om te bepalen of de fundering dat wel kon dragen.’

Hij wijst op een aantal bijzondere details. De gigantische glasplaten die voor de gevel van de loft zijn vervaardigd. Het gekromde glas – zonder stijlen – in de gevel van het restaurant. De kroon, die naadloos is afgewerkt met een speciale kunststof coating, een materiaal dat afkomstig is uit de Amerikaanse scheepsbouw. ‘Dat vind ik het interessante aan dit project, hoe je met bestaande elementen een nieuw karakter kunt bouwen. Een monster van Frankenstein,’ grapt Claus.

De Rooij spreekt liever over het personage A’DAM, dat samen met het naastgelegen EYE Filminstituut van de architecten Delugan & Meissl, ook wel ‘Eva’ genoemd, een mooi duo vormt. Welke naam je ook aan het gebouw geeft, en wat je er ook van vindt, vaststaat dat dit hedendaagse Volkspaleis mensen weet te beroeren.

 

Dit interview komt uit Juist 34 (december 2016)