Kritisch kijken naar de kaaskoppen

Robert Vuijsje reist naar Spanje. En hij vraagt zich af wie meer recht heeft op een negatief oordeel over Nederlanders: hijzelf of de leerlingen van een zwarte school in Amstelveen.

In het ziekenhuis in Amstelveen klopte iets niet. Het voelde anders dan de ziekenhuizen die ik de afgelopen jaren had betreden, alleen wist ik niet meteen waardoor het kwam. En waarom was ik in Amstelveen, een soort afgeleide van Amsterdam? Als je zo dicht bij de hoofdstad verkeerde, waarom dan niet in Amsterdam zelf gaan? Het voelde als Amsterdam, maar dan net niet. Alsof je naar Amsterdam keek terwijl het een kwartslag was gekanteld. Soms is alles anders dan het eerst leek.

Ineens zag ik het. Het waren de aanwezigen – de bezoekers, de patiënten in dit keurige gebouw waar alles eruitzag alsof het net zo nieuw was als op de dag dat ze voor het eerst de deuren openden. En het waren degenen die ze vergezelden. Ze waren blank, maakten een welvarende en gezonde indruk. Ze zagen eruit als de gemiddelde inwoners van Amstelveen. Alsof we ons niet in de wachtkamer van een ziekenhuis bevonden, maar in de rij bij de bakker. Of de traiteur of de sushi-Japanner.

Zagen de mensen in de andere ziekenhuizen die ik had bezocht, allemaal in Amsterdam, er niet uit als de gemiddelde inwoners van die stad? Nee, zo zagen ze er niet uit. In de andere ziekenhuizen waren sommige groepen oververtegenwoordigd. En andere groepen ondervertegenwoordigd.

Oververtegenwoordigd waren de bejaarden, de mensen die ze allochtonen noemen en de zogeheten onderklasse. Ondervertegenwoordigd in de Amsterdamse ziekenhuizen waren de werkende blanke middenklasse en wat daarboven kwam. De mensen die op hun werk zaten, of op de stageplek die zij wél konden bemachtigen. De mensen die het te druk hadden om in ziekenhuizen rond te hangen.

Waarom frequenteerden deze mensen in deze buitenwijk van Amsterdam wel het ziekenhuis? Werden ze alleen ziek in Amstelveen? Of bestaan de groepen die in Amsterdamse ziekenhuizen oververtegenwoordigd zijn niet in Amstelveen? Als dit de enige smaak was die ze hadden in Amstelveen, kon het niet anders dan dat zij ook het ziekenhuis bevolkten.

Stiefzoon

Hoe kwam ik terecht in een ziekenhuis in Amstelveen? Het kwam door de verhuizing naar een deel van Amsterdam dat Buitenveldert heet – een wijk gelegen tussen Amstelveen en Amsterdam Oud-Zuid. In mijn beleving woon ik nog steeds in Oud-Zuid. Als je vanaf het nieuwe huis naar rechts ging, noordwaarts, kwam je in Amsterdam-Zuid. Ten zuiden, naar links, lag Amstelveen. Het ziekenhuis was de eerste keer sinds de verhuizing dat ik linksaf sloeg.

Vorig jaar was het tijd dat mijn stiefzoon naar de middelbare school ging. In Amstelveen. Zijn ouders kenden de school alleen van de open dag die ze hadden bezocht. Na die open dag dachten ze: goede school. Op de open dag hadden ze een leerlingenbestand aanschouwd van dezelfde soort als in het Amstelveense ziekenhuis.

Mijn stiefzoon is half Nederlands en half Surinaams. Het duurde een paar weken, misschien een paar maanden, tot we merkten dat er iets niet klopte. Alleen wisten we niet meteen wat het was. Was het hoe hij praatte? Waren het de dingen die hij zei? Waren het de lessen die vrijwel dagelijks uitvielen? Was het de metro die in Amstelveen vlak bij zijn school stopte? De metro die een rechtstreekse verbinding vormde met Amsterdam-Zuidoost, dat hemelsbreed niet ver verwijderd was van Amstelveen?

Ineens zagen we wat het was. Soms is alles anders dan het eerst leek. Dit was niet de school van de open dag. Het was een school met een diepe scheiding tussen de zwarte leerlingen, van wie er best veel bleken te zijn, en hun witte leraren. Een school met leerlingen die ‘Discriminatie! Racisme!’ riepen zodra de leraar ze streng toesprak, met leerlingen die zeker wisten dat de overheid, zoals ze het noemden, tegen ze was. Een school met leerlingen die zeiden dat de leraren met hun witte poten van ze moesten afblijven. Een school ook waar zoveel lessen uitvielen dat de leerlingen niet anders konden denken dan: kennelijk vinden ze ons de moeite niet waard voor goed onderwijs. Een school die was verdeeld tussen witte Amstelveense kinderen en kinderen die nu al het gevoel hadden dat ze waren opgegeven – door de witte overheid.

Toeristen

Met mijn oudste zoon ging ik een paar dagen naar Spanje. Het begon al voor we weggingen. Als iemand opmerkte dat in Alicante veel toeristen kwamen, zei ik snel dat die alleen bij het strand zaten. Als je na de boulevard drie blokken de stad inliep, zat je tussen alleen maar Spanjaarden.

Op Schiphol. In de rij voor de incheckbalie. Hoe onze hele rij woedend toekeek toen twee mensen met zes grote koffers op ingenieuze wijze voordrongen. ‘Wat een volksverhuizing, hè,’ zeiden de voordringers vrolijk, in het Nederlands, tegen de mevrouw bij wie ze incheckten. De hele rij keek nog bozer. Je moet een kaaskop zijn om deze voordringmanoeuvre te bedenken, dacht ik, en je moet ook een kaaskop zijn om hier zo woedend over te worden.

In het vliegtuig. Op de eerste rij, met de extra beenruimte, zaten twee kleine Aziaten. Hoe die andere Transavia-passagiers, grote Hollandse mensen die ook wel wat extra beenruimte hadden gewild, naar ze keken! Je moet wel een kaaskop zijn om hier zo woedend over te worden, dacht ik.

In Alicante. Hoe ik, zodra ik ergens een Nederlandse stem hoorde, tegen Sonny in het Portugees ging praten – de geheime taal die we kunnen gebruiken omdat zijn moeder Braziliaans is en ons die taal heeft geleerd.

Op het vliegveld van Alicante. Het moment dat je ze weer ziet en het definitieve signaal krijgt dat de vakantie voorbij is: de andere passagiers van het vliegtuig terug naar Nederland. Sonny en ik zaten aan een tafeltje van het cafetaria bij de gate. Aan het volgende tafeltje zat een Aziatisch meisje van een jaar of vijftien. Ik zag hoe ze eraan kwamen lopen, haar adoptieouders, gespannen kijkend naar de borden op hun dienbladen. Het tafeltje was niet goed, ze wilden op de stoel aan de linkerkant zitten, maar toen was die ook niet goed. Het moest het stoeltje rechts zijn of nee, die aan de overkant van de tafel. Eigenlijk, maakte ik op uit hun lichaamstaal, wilden ze de stoelen en de tafel hebben waaraan Sonny en ik zaten. Dertig seconden gingen voorbij, ze zaten nog steeds niet. Sonny en ik stonden op, ik keek naar het geadopteerde Aziatische meisje. Zij zag wat ik zag, in mijn beleving dan. Ze hoorde bij deze twee kaaskoppen, maar ze hoorde ook weer niet bij ze. Alleen had ze geen keuze. Wat moest ze doen? Van huis weglopen? Remigreren naar het land waar ze vandaan kwam?

In het vliegtuig terug naar huis. Wat is het verschil tussen mij en de zwarte leerlingen van de school in Amstelveen? Dat het voor mij een soort grap is, hoe ik naar mijn landgenoten kijk? Een grap die ik niet helemaal meen.

Menen de zwarte leerlingen het wel? Ze kunnen het niet menen, daar zijn ze niet volwassen genoeg voor. Ik ben wel volwassen. Of ik zou het moeten zijn. Hebben de zwarte leerlingen meer reden dan ik om onze landgenoten met milde spot te analyseren?

Uit het raam kon ik Nederland zien, we waren er bijna. Toch voelde het als thuiskomen.

Dit artikel verscheen in Elsevier Juist nr. 9 – juni 2014.

Foto: EPA