• MARTIN-PARR-FOTOWEDSTRIJD-MEEDOEN

Op de Hollandse savanne

Wilde dieren werden grotendeels uit Nederland verdreven. De laatste jaren zijn ze teruggehaald. Nu moeten galloway- en heckrunderen, IJslanders, konik-, przewalski- en fjordenpaarden, en wisenten een rol van betekenis spelen als ‘bouwers’ van nieuwe natuur. Annemarie Bergfeld ging op zoek naar de grote grazers in Nederlands moderne wildernis

Dit artikel stond in Juist #5,  januari/februari 2014

‘Eerst zal ik het berkenbos laten zien,’ zegt Chris Braat  terwijl hij het klaphek openhoudt dat toegang geeft tot de dijk langs de Overijsselse Vecht bij Dalfsen. Aan beide zijden van de dijk ligt een open landschap met hoge grassen, wat verspreide struiken, een paar meidoorns en een eenzame eik. Geen berk te bekennen. Maar de kudde galloways is niet te missen. Dertig van deze stevige runderen scharrelen hier in de Vechterweerd zomer en winter rond.
Eén exemplaar komt voorzichtig poolshoogte nemen, maar zet het al gauw weer op een lopen, terug naar de veilige kudde. Het zijn geen knuffeldieren, al zien ze er extreem aaibaar uit met hun lange, zwarte krulvacht. Zij blijken er ook de oorzaak van dat het berkenbos niet meteen als zodanig herkenbaar is. Het stuk land aan de binnenkant van de rivierdijk staat vol berkenstompjes. Honderden zijn het er.
‘De bomen krijgen de kans niet om groter te worden. Als de runderen in de winter alle gras hebben weggegeten, stappen ze over op de jonge berkjes die ’s zomers uit de grond zijn geschoten,’ verklaart Braat. Hij is directeur van FREE Nature, Foundation for Restoring European Ecosystems. In opdracht van natuurbeheerders, waterleidingmaatschappijen of gemeenten beheert FREE Nature door het hele land kuddes grazers. Daarmee werkt de organisatie mee aan de ontwikkeling van gebieden waar de natuur zichzelf vormt: natuur op eigen benen.
De wilde, grazende hoefdieren hebben inmiddels een vaste plaats in de Nederlandse natuur verworven. Edelherten, reeën en damherten liepen hier al langer  rond; Schotse hooglanders, galloway- en heckrunderen, IJslanders, Dartmoor- en Exmoorpony’s, konik-, przewalski- en fjordenpaarden, wisenten en meer edelherten werden van over de grens, veelal uit Schotland en Oost-Europese landen, hier naartoe gehaald om snelgroeiende grassen, bomen en struiken te eten.
Het besef dat in Nederland ook ruimte moet zijn voor gebieden waar natuurlijke processen leidend zijn, ontstond dertig jaar geleden. ‘Begrazing door grote hoefdieren is zo’n natuurlijk proces,’ zegt Meta Rijks, fauna-ecoloog bij Staatsbosbeheer, dat nieuwe wildernissen als Lauwersmeer, Gelderse Poort, de Biesbosch en Oostvaardersplassen beheert. ‘Land dat niet voldoende wordt begraasd, wordt na verloop van tijd monotoon. Planten beconcurreren elkaar om licht, ruimte en vocht. Doe je niks, dan krijgen snelle groeiers als bramen, brandnetels en berken de overhand en leggen zeldzamere soorten het af. ‘Uiteindelijk rest alleen bos. Grazers die de snelgroeiende soorten opeten, zorgen voor een gevarieerde vegetatie van graslanden,struwelen en bosjes. Gevarieerde vegetatie trekt weer reptielen, insecten, vogels en kleine zoogdieren aan.’
Voordat de mens in de natuur ingreep, liepen in onze natte delta oerpaarden en oerrunderen rond. Het landschap werd mede door hen gevormd. In de koeien van nu – hoogpotige, hoekige melkfabriekjes – valt met de beste wil van de wereld geen verwantschap te ontdekken met het oerrund, dat zich redde zonder menselijke bemoeienis. Net zo min als de gehouden paarden in deze tijd te vergelijken zijn met die uit de prehistorie.
In het buitenland lopen nog wel gelijkende nazaten van het oerrund en oerpaard rond, wilde dieren die qua graasgedrag overeenkomen met hun verre verwanten uit de steentijd. ‘Niet dat we terug willen naar de steentijd,’ haast Rijks zich te zeggen. ‘Dat zou ook niet gaan. We hebben nu dijken die we niet meer kunnen missen en onze natuurgebieden zijn heel klein. Maar we kunnen wel mooie dingen doen door deze dieren te laten bijdragen aan het natuurherstel.’

Konikpaarden zijn robuust genoeg om het hele jaar door buiten te blijven
Het edelhert komt van nature in Nederland voor
Overstromingen

Tussen 1990 en 2010 groeide de Nederlandse natuur met 130.000 hectare. De Biesbosch werd groter doordat aangrenzende landbouwgrond werd afgegraven voor kleiwinning. Andere landbouwgronden werden door de overheid opgekocht om bestaande natuurgebieden aan elkaar te verbinden (de Ecologische Hoofdstructuur). Na de overstromingen begin jaren negentig verlieten de boeren de uiterwaarden om de rivieren weer de ruimte te geven. Eerder al ontstonden, na afsluiting van de Waddenzee, het Lauwersmeer en de Oostvaardersplassen, een stuk nat polderland dat was bestemd voor industrie, maar spontaan in bezit werd genomen door ganzen, reigers en reeën.
Een succesverhaal van de eerste orde is de Millingerwaard. ‘Iedereen zei dat het niet kon,’ herinnert Braat zich. ‘Moet je zien wat de natuur daar heeft gedaan. Het is een publiekstrekker van formaat.’ In dit gebied langs de Waal achter Nijmegen, onderdeel van de Gelderse Poort, groeide decennialang niet veel meer dan maïs en aardappelen, en graasde melkvee op strakgetrokken weilanden. In 1993 werd 4 hectare ‘aan de natuur teruggegeven’, kreeg de rivier de ruimte en mochten twee gallowayrunderen zich uitleven. Twintig jaar later telt de Millingerwaard 500 hectare moerassig land, geulen, oeverwallen met bijzondere planten, natte bossen en ondoordringbaar struikgewas.

In de Oostvaardersplassen grazen inmiddels 150 heckrunderen

Hier vind je geen paden en picknicktafelsmet- prullenbak. De Millingerwaard is voor recreanten die willen ontdekken en durven te verdwalen. Net als de ongeveer vijftig konikpaarden en eenzelfde aantal gallowayrunderen, de bevers en de reeën mogen zij lopen waar ze kúnnen lopen. In natuurgebieden als deze heeft de natuur de regie, de beheerders monitoren. Alleen als het voor het welzijn van de dieren nodig is, grijpen ze in. De grote grazers die de Nederlandse natuur openhouden, zijn óf wilde dieren als hert en zwijn óf heel zelfstandige vormen van gedomesticeerde dieren, zoals runderen en paarden. De dieren mogen hun natuurlijke gedrag vertonen, ze zijn robuust genoeg om het hele jaar door buiten te blijven, ze zoeken hun eigen eten en brengen hun jongen zonder hulp van de mens ter wereld. Ze vormen in principe geen gevaar voor wandelaars. Mits met rust gelaten, zijn ze niet in mensen geïnteresseerd. Hun belangstelling gaat uit naar eten en elkaar. Ze kunnen wél opdringerig uit de hoek komen als ze worden gevoerd of hun kalfjes te dicht benaderd. Heckrunderen hebben de naam weleens agressief te zijn, maar dat is grotendeels een idee. Wel lopen zij uitsluitend in gebieden die alleen tijdens begeleide excursies toegankelijk.

De wisent is een knabbelaar die twijgen en knoppen eet
Moerasandoorn

De dieren maken deel uit van een groter systeem. ‘Een rivier die overstroomt, heeft meer effect dan een paar grazende koeien,’ zegt fauna-ecoloog Rijks. ‘Storm, stuivend zand, zout water, de grazers: alles heeft een eigen rol.’ Maar de bijdrage van de wilde grazers mag niet worden gebagatelliseerd. In de Vechterweerd wijst natuurbeheerder Braat op de uitgebloeide stengels van moerasandoorn, leverkruid en ereprijs. ‘Na de bloei laten deze planten hun zaden los, waar de vogels in najaar en winter op afkomen. Op bemest en gemaaid boerenland groeit dit niet, ons platteland is hartstikke dood. Hier barst het in de zomer van de vlinders en sprinkhanen.’
Ook de verschillen in graasgedrag dragen bij aan variatie. Paarden eten kort gras, dat ze afsnijden.Runderen, die geen snijtanden hebben in de bovenkaak, hebben grassprieten van minstens 10 centimeter nodig. Zij slaan hun tong om een graspol heen en trekken die uit de grond. Pas als het gras op is, wijken beide diersoorten uit naar houtige gewassen. Edelherten en reeën daarentegen zijn knabbelaars, die graag van twijgen en knoppen eten. Net als de wisent, die trouwens ook goed is in het schillen van boomstammen. Aan de voet van de eik in de Vechterweerd valt een cirkel van omgewoelde aarde in het gras op. ‘Een stierenkuil,’ weet Braat. ‘Hier boksen de stieren tegen elkaar op om de gunst van de vrouwtjes. Wie het diepst graaft, is het stoerst.Doordat de dieren de aarde omwoelen, hun mest laten vallen en de begroeiing snoeien, ontstaan variatie en een explosie van leven. Zo komen we tot afwisselende landschappen. Hoe georganiseerder we leven, hoe groter onze behoefte aan vrijheid en een beetje oergevoel. Als ik hier loop, heb ik het gevoel dat ik te gast ben bij de dieren. In hún gebied.’