Waarom vrouwen winnen

8 maart is Internationale Vrouwendag! De 21ste eeuw wordt de eeuw van de succesvolle vrouw. Wat voor effect heeft dat op de man, op de relatiemarkt, op de economie, op de samenleving? Syp Wynia over de late, maar onweerstaanbare opkomst van de Nederlandse vrouw

De anticonceptiepil gaf vrouwen controle over de planning van het nageslacht

Sinds de eeuwwisseling studeren er in Nederland meer jonge vrouwen dan jongemannen. Vrouwelijke studenten doen het beter, vallen minder uit en studeren sneller af. Voor het eerst in de geschiedenis verdienen jonge vrouwen in Nederland gemiddeld meer dan jongemannen.
Nog maar een halve eeuw geleden hadden vrouwen in Nederland, zeker als ze gehuwd waren – en al helemaal als ze kinderen hadden – geen betaald werk. Meisjes volgden minder lang en bovendien lager gekwalificeerde opleidingen dan jongens. Als ze al studeerden, leidde dat zelden tot een langdurige carrière. Zelfs een studie stond bij meisjes vaak in het teken van een verbetering van de kansen op de huwelijksmarkt.
Nog maar enkele decennia geleden was dit de dominante route voor sociale stijging en welvaart voor de vrouw: een goede partij aan de haak slaan. Nederland was kostwinnersland en die kostwinner was een man, tevens hoofd van het gezin. Tot 1957 was de gehuwde vrouw in Nederland van staatswege handelingsonbekwaam verklaard: vrouwen konden niet zelfstandig overeenkomsten afsluiten. Als een vrouw werk had op het moment van trouwen, diende ze ontslag te nemen.
Nederland behoorde, als het om arbeidsparticipatie van vrouwen ging, lang tot de achterlijkste landen van Europa. Er is nooit goed onderzoek gedaan naar een sluitende verklaring voor dat fenomeen, dat extra bijzonder is omdat het buitenlandse bezoekers eeuwen geleden juist opviel dat Nederlandse vrouwen zo zelfstandig en zelfbewust waren. De vele ‘vrouwenstudies’ waren lange tijd te gefixeerd op de onderdrukking van de vrouw door de man om tot een deugdelijke verklaring voor de specifiek Nederlandse achterstelling te komen.
Maar in het kort komt het erop neer dat toen de industriële revolutie goed en wel tot Nederland was doorgedrongen, het als een teken van vooruitgang werd beschouwd als de man het zich kon permitteren om zijn vrouw niet buitenshuis aan het werk te laten gaan, net zoals dat in de (hogere) middenklasse al eeuwen het geval was. Dat was, zo eind negentiende eeuw, en niet alleen in Nederland, een breed gevoeld vooruitgangsidee.

Een studie stond bij meisjes vaak in het teken van een verbetering
van de kansen op de huwelijksmarkt
Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog zorgde in de oorlogvoerende landen voor een cesuur in die ontwikkeling. De miljoenen jonge mannen die naar het front werden gestuurd, zorgden aan het thuisfront voor een tekort aan arbeidskrachten. Door de miljoenen gesneuvelden bleef het mannentekort nog lang naijlen. Nederland was neutraal in de Eerste Wereldoorlog en onderging niet de emancipatie-impuls die zich elders wel voordeed. Ook de Tweede Wereldoorlog leidde in Nederland niet tot een tekort aan mannen op de arbeidsmarkt.
Daarbij kwam de sterke rol bij van de kerken en confessionele partijen, die – ook in onderlinge concurrentie – hamerden op de rol van de vrouw als moeder. Het was niet toevallig de katholieke minister van Sociale Zaken Carl Romme (1896-1980), die de crisis van de jaren dertig aangreep om gehuwde ambtenaressen en onderwijzeressen te ontslaan – een fenomeen dat tot eind jaren vijftig wettelijk is blijven bestaan en daarna informeel nog vaak doorging.
Verder waren de Nederlandse vakbonden, gedomineerd door mannen, ook gekant tegen vrouwelijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Extra arbeidsaanbod zou de lonen van de mannelijke vakbondsleden maar drukken. Zo zorgden conservatieve politici en socialistische vakbondsleiders er samen voor dat de Nederlandse vrouw, al kinderen barend, thuis en achter het fornuis bleef.
De kentering begon in de jaren zestig. De anticonceptiepil gaf vrouwen controle over de planning van het nageslacht, en het daarmee samenhangende vrijere seksuele verkeer leidde ertoe dat er later werd getrouwd en er later kinderen kwamen. De invoering van de Bijstandswet (1965) zorgde ervoor dat de afhankelijkheid van de man erodeerde: bij een scheiding nam de staat in menig geval de rol van kostwinner over.

Remmende factoren

Toch heeft het nog tot het eind van de vorige eeuw geduurd voordat Nederlandse meisjes net zo veel onderwijs gingen genieten als jongens en mannen, en ook vrouwen aan een opmars op de arbeidsmarkt
begonnen. Er waren dan ook veel remmende factoren.
De traditie van de vrouw zonder werk en eigen inkomen was zowel in de rolpatronen in de samenleving als ook in de houding van veel vrouwen gaan zitten. Het heeft tot begin jaren tachtig geduurd, en dan nog na een forse tik op de vinger van het Europese Gerechtshof, eer voor vrouwen discriminerende bepalingen uit pensioenregelingen kwamen te vervallen. Het werd werkende vrouwen ook lang verweten dat ze slechte moeders zouden zijn.
Werkende moeders konden een schuldgevoel oplopen, geïnfecteerd als ze waren door de traditie van de eigen moeder die thuis met een kopje thee op schoolgaande kinderen zat te wachten.
Juist vrouwen maakten bezwaar tegen het verlichten van het huishouden door apparaten als de afwasmachine, die de aangeleerde trots van hun huisvrouwenbestaan ondermijnde. Vrouwenemancipatie was in Nederland lang slechts een kwestie van de man laten meehelpen in het huishouden, zonder dat het een bijdrage leverde aan de economische zelfstandigheid van vrouwen.
De jaren negentig van de vorige eeuw vormden het decor voor de definitieve doorbraak van de Nederlandse vrouw. De economie bloeide meer dan elders. Het bedrijfsleven haalde mensen binnen (naast vrouwen ook allochtonen) die tot dan toe werkloos waren of aan de zijlijn stonden. Nederland werd ook materialistischer: je voorspoed laten zien, net zo ver met vakantie gaan als de buren.
Kinderen werden al later geboren, gezinnen werden kleiner. De toekomst van de schaarsere kinderen ging tellen en vergde investeringen: in sport, muziekles en onderwijs. Intussen werd het leven, vooral door de stijgende huizenprijzen, duurder. Tegen de eeuwwisseling was niet meer het kostwinnersmodel de standaard in
het modale huishouden, maar het anderhalfverdienersmodel.
De nieuwe werkende moeder – ook al is het doorgaans een parttime werkende moeder – zorgde er als rolmodel voor dat ook de dochters werk maakten van hun schoolcarrière. Zoals eerder de nietwerkende moeder een rem op de ontwikkelingsdrang van haar dochters kon zijn, zo stimuleerde de wél werkende moeder haar dochter om werk te maken van opleiding en carrière. In het grootste deel van de twintigste eeuw werden de schaarse middelen van het gezin in geval van twijfel gebruikt voor het doorleren van de zoon, want een investering in de dochter was zinloos, als ze rond haar 25ste ging trouwen, kinderen zou krijgen en thuis ging zitten.
Nu de ban van het onafwendbare huisvrouwenbestaan was gebroken, had het zowel voor de ouders als voor de dochters nut als de dochter doorging met leren. Omdat er ook veel meer werd gescheiden dan in de kostwinnerstijd, was voor meisjes en vrouwen de noodzaak groter om door te leren en een beter vooruitzicht te hebben op economische zelfstandigheid. Die economische zelfstandigheid was betrekkelijk, vanwege de parttimebaan. Maar als de nood aan de vrouw komt door scheiding of overlijden van de partner, blijken vrouwen met een kleine baan binnen een jaar meer uren te hebben.
Niet dat meisjes het eerder zo slecht deden op school. Op de basisschool deden meisjes het door de bank genomen altijd al beter dan jongens. Maar met het vooruitzicht van huisvrouwenbestaan en moederschap in het achterhoofd bleef de onderwijsloopbaan van meisjes vanaf het twaalfde jaar achter bij die van jongens.
Ook toen vanaf de jaren zestig veel meer arbeiderskinderen naar het hoger onderwijs gingen, was dat aanvankelijk in onevenredige mate weggelegd voor jongens. Voor de eeuwwisseling, vast ook gestimuleerd door het snel stijgende aandeel werkende moeders, gingen meisjes betere middelbare-schoolopleidingen volgen dan jongens, met betere resultaten bovendien. Even later gingen meer meisjes dan jongens naar hogeschool (in 1997-1998) en universiteit (in 2006-2007), en weer met betere resultaten. Nu al is het percentage hoogopgeleiden onder de 45 jaar hoger bij vrouwen dan bij mannen. Niet dat jongens minder zijn gaan studeren, maar het aantal studerende meisjes groeit harder.

Merkwaardig

Het studeersucces van vrouwen krijgt doorgaans minder aandacht dan het achterblijven van het aandeel van vrouwen in topfuncties. Maar als vrouwen van dertig beter zijn opgeleid dan mannen van die leeftijd, hoeft dat niet automatisch te betekenen dat zij nu ook al topfuncties moeten hebben. Die worden in grote bedrijven nog vooral vervuld door mannelijke vijftigers (leden van de raad van bestuur) of zestigers (leden van de raad van commissarissen). Voor veel vrouwen die nu boven de vijftig zijn, gold in hun jeugd nog vaak het glazen plafond op hun twaalfde jaar: geen onderwijs of carrière vanwege het vooruitzicht van het huisvrouwenbestaan.
Toch stijgt het aandeel van vrouwen in managementfuncties en wetenschappen snel. Ook bij topfuncties in de non-profitsector en bij de overheid zit het aantal vrouwen rond de 30 procent of hoger. In topfuncties bij grote bedrijven blijft het aantal vrouwen nog achter, maar toch is ook hier een snelle stijging waarneembaar: van 10 naar 15 procent bijvoorbeeld, alleen al in de jaren 2011 tot 2013.
Hoewel meisjes op school en op de universiteit grotere doorzetters zijn, zet zich dat niet voort als ze de arbeidsmarkt op gaan. Vaak beginnen ze meteen na de studie met een deeltijdbaan en blijft het daar bij. Driekwart van de werkende vrouwen in Nederland werkt parttime en dat gaat doorgaans gepaard met een lager inkomen per uur en slechtere vooruitzichten op een oplopende carrière en leidinggevende posities. Die combinatie leidt ertoe dat het gemiddelde inkomen van vrouwen met 22.800 euro nog steeds veel lager is dan dat van mannen: 38.300 euro (de cijfers zijn van 2013).
Terwijl de kostwinners- en huisvrouwentraditie in het onderwijs is weggeëbd, geldt dat dus nog niet voor posities in de echte wereld, van werk, bedrijven en overheid. De specifiek Nederlandse parttimecultuur
is bovendien ingebed in een andere, specifiek Nederlandse cultuur van recentere datum dan de huisvrouw: het begin jaren tachtig geïntroduceerde beleid om de werktijd te verkorten om zo het werk beter te verdelen. Zowel de huisvrouwentraditie als de parttimetraditie is nu geworteld in het volksgevoel. Zoals het uitbesteden van huishoudelijk werk – in andere landen veel gewoner bij twee werkende partners – ook nog altijd een beetje raar wordt gevonden.
Dat neemt niet weg dat het opstomen van de vrouw in Nederland spectaculair is. En terwijl er nog een achterstand is (gemiddeld loonniveau, hogere posities, aantal hoogleraren) wordt de kloof op alle fronten gestaag kleiner.
De gevolgen zijn groot, en doorgaans positief. Nederland heeft zichzelf in een groot deel van de twintigste eeuw veel welvaart ontnomen door een groot deel van zijn vrouwelijk talent onbenut te laten. Islamitische landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten die het zonder olieen gasvoorraden moeten stellen, zijn ook zo arm doordat vrouwen zich niet mogen ontwikkelen, niet buitenshuis mogen werken en geen noemenswaardige bijdrage aan de economie leveren. Emancipatie van de vrouw levert onmiskenbaar grote welvaartsvoordelen op.

Nog maar een halve eeuw geleden hadden
veel vrouwen in Nederland geen betaalde baan
Rolpatronen

Grote gevolgen zijn er ook door de veranderde rolpatronen. Het oprukken van de vrouw gaat allerminst gelijk op met de gemiddeld stijgende ontwikkeling van mannen – en misschien hebben de nieuwe kansen voor meisjes zelfs demotiverende effecten op jongens.
Naarmate jongens in een meer masculiene traditie opgroeien – zoals in traditioneel Nederland, en zeker in bepaalde immigrantenculturen – boeken meisjes verhoudingsgewijs extra zelfstandigheidswinst door betere onderwijsprestaties, maar kunnen de druiven voor de met vanzelfsprekende vooruitzichten opgroeiende jongens zuur zijn. De onderwijsveranderingen van de afgelopen decennia – meer zelfstandigheid, ‘taliger’ onderwijs – waren in het voordeel van meisjes en in het nadeel van veel jongens. Voor jongens van 15 was het sociaal gezien vaak al minder cool om zich op school te richten dan het voor meisjes was. Het jongensbrein ontwikkelt zich later en trager dan het meisjesbrein. Dat was altijd al zo, maar jongens hadden daar relatief gesproken weinig nadeel van, omdat voor meisjes het perspectief van doorleren en carrière ontbrak. De maatschappelijke veranderingen hebben tot gevolg dat jongens de achterstand die ze in hun puberjaren oplopen, vaak niet meer goedmaken. Jongens vallen ook vaker uit in het vervolgonderwijs, en moeten het zonder startkwalificatie stellen. Jongens belanden veel vaker in het speciaal onderwijs en ook 30 procent vaker in de Wajong, de uitkering voor jonge arbeidsgehandicapten. In krimpregio’s blijven jongens relatief vaak achter met een bescheiden opleiding en bescheiden banen, terwijl ambitieuzere meisjes naar de steden trekken.
Het vrouwenoverschot in verschillende universiteitssteden leidt tot fricties op de relatiemarkt. Hoogopgeleide jonge vrouwen hebben, ook al door de traditie van sociale stijging op de huwelijksmarkt, niet erg de neiging om te ‘downdaten’, terwijl dat vaak de enige kans is om aan een vaste partner, dan wel een vader voor de kinderen te komen. Downdaten is ook niet verstandig, omdat een grotere afstand in opleiding leidt tot een slechtere prognose voor een bestendige relatie.
Hoogopgeleide vrouwen zijn, wellicht meer dan ze zouden willen, meer promiscue
op de relatiemarkt waarin ze in het nadeel zijn. Meer vrouwen dan vroeger blijven alleen, vaak zonder kinderen. Relatief vaak gaat het om hoogopgeleide, succesvolle stadse vrouwen die tegen hun zin geen vaste partner en geen kinderen hebben. Actrice Halina Reijn vertelde in tv-programma College Tour dat ze niet alleen graag, net als haar zus, kinderen had gehad, maar eigenlijk hunkert naar een situatie als in de jaren vijftig, in een beschermde, veilige wereld, in het huishouden, achter het aanrecht, met ‘wezentjes’ om haar heen.

Juist vrouwen maakten bezwaar tegen het
verlichten van het huishouden door apparaten

Door deze ontwikkelingen zal het kindertal dalen. Emancipatie en ontplooiing vragen een hoge prijs. En terwijl vrouwen vroeger nog aan sociale stijging konden doen op de relatiemarkt – verpleegster huwt dokter, secretaresse huwt directeur – is dat nu minder mogelijk: de dokter trouwt met zijn vrouwelijke collega. Het is geen wonder dat er een boom aan datingsites ‘voor hogeropgeleiden’ is. Het hogere opleidingsniveau voor vrouwen remt de sociale mobiliteit. Nederland wordt, zo bekeken, ongelijker.
Als de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en in hogere functies verder doorzet, kunnen zich ook andere effecten voordoen: sectoren waar veel vrouwen werken, ook in leidinggevende banen, hebben de neiging te devalueren. In Zweden, waar van bovenaf een strak emancipatiebeleid is doorgevoerd, werd de collectieve sector, inclusief de politiek, een vrouwendomein, met prestigeverlies tot gevolg. De particuliere sector bleef – zeker aan de top – een mannendomein.
In Nederland zijn vrouwen ook relatief veel sterker vertegenwoordigd in overheid, onderwijs, zorg en welzijn. Daar is de kans op een zeer goed betaalde baan misschien kleiner, maar de mogelijkheden om parttime te werken en werk en huishouden te combineren, zijn er groter.
Dat vrouwen voor hetzelfde werk nog steeds iets minder betaald krijgen, laat zich goed verklaren vanuit de traditie, die van de kostwinner en de huisvrouw. Mannen onderhandelen over hun loon, vrouwen laten dat vaak na. Het idee dat het vrouweninkomen voor ‘erbij’ is, laat zich niet in een enkele generatie wegpoetsen.

Hersteltraject

De opkomst van de vrouw verandert niet alleen de economie (meer welvaart), maar de economie draagt ook bij aan een betere positie van de vrouw ten opzichte van de man. De industriële revolutie zorgde
voor een maakindustrie, en dat was in belangrijke mate een mannending. Maar de diensteneconomie sluit weer goed aan op waar vrouwen aan beter in zijn, dan wel beter op worden voorbereid: communiceren, samenwerken – praten in plaats van dingen met je handen maken.
Terwijl jongens die niks met school hadden vroeger een loopbaan konden opbouwen door met hun handen te werken, zijn de kansen op zo’n hersteltraject voor mannen nu een stuk kleiner. Er is domweg minder vraag naar doe-banen. In de Verenigde Staten is de traditionele middenklasse, die voor een groot deel bestond uit goed betaalde mannelijke arbeiders, aan het eroderen. Dat deel van de middenklasse dreigt af te zakken naar de onderklasse, waar ze moeten concurreren met machines en met immigranten.

 

De opkomst van de vrouw hoeft niet per se tot een zwakkere positie van de man te leiden. Maar het kan wel. De wereld is niet meer per se een warm bad voor de man. Niet alleen omdat hij de vrouw naast of
boven zich moet dulden. Maar ook omdat een belangrijk deel van de wereld wel vrouwvriendelijker wordt, maar niet manvriendelijker.