• MARTIN-PARR-FOTOWEDSTRIJD-MEEDOEN

Wereldburger: IJsland

De schapenhouderij van Mirjam Blekkenhorst (51) en haar man staat in het verre noordoosten van IJsland. Daar, op het uiterste puntje van Europa, vond ze de natuur, de ruimte en het zelfstandige bestaan dat ze zocht.

Tekst: Annemarie Bergfeld

‘Mijn broers hingen vroeger altijd bij boeren rond en kwamen met mooie verhalen thuis. Toen ik vastliep in mijn studie aan de kunstacademie, dacht ik: dat wil ik ook, maar dan in het noorden. Na een vakantie in Lapland was ik er verslingerd aan geraakt.’ Vóór de boerderij van Mirjam Blekkenhorst, haar man Sverrir Möller (53) en hun vier kinderen ligt de oceaan, erachter bevinden zich de bergen en een rivier vol forellen.

Ze wonen 14 kilometer voorbij Thórshöfn (vierhonderd inwoners), het dorp dat in IJsland bekend is als de verst verwijderde plaats van de internationale luchthaven Keflavik: 670 kilometer. Ook al zijn de afstanden groot, de contacten zijn er warm. Toen Mirjam zich bij Thórshöfn settelde, viel haar meteen de saamhorigheid op. ‘De mensen zijn relaxed en makkelijk in de omgang. Hiërarchie is er niet, iedereen is gelijk en wordt bij de voornaam genoemd. Van velen ken ik de achternaam niet eens. En je helpt elkaar, ook als de klus wat langer duurt dan je had verwacht.’

Ze hebben 450 schapen en dat is goed te behappen voor een familiebedrijf met meehelpende kinderen, ‘maar om er echt van rond te komen, is zes- tot achthonderd eigenlijk het minimum. Om die reden zijn we ook onze farm lodge Ytra Lón begonnen.’ Het vlees van de schapen blijft voor het overgrote deel in eigen land, een klein deel wordt geëxporteerd. ‘Dit jaar is de vleesprijs voor het eerst in jaren gezakt. Van de zes slachthuizen in het land doen er een paar te veel zaken met goedkope supermarkten. De prijzen worden laag gehouden. Daar is de boer het slachtoffer van.’

Het leven in deze uithoek is duur. Voor elektriciteit betaalt het gezin meer dan het dubbele van wat een huishouden in Reykjavik kwijt is. ‘Wij zitten in een koud gebied zonder warmwaterbronnen. Het grootste deel van de kosten is niet voor de elektriciteit zelf maar voor het transport.’

Internet was ook een drama. Tot vorig jaar hadden ze een langeafstandsverbinding zoals ook schepen hebben. ‘Je kon er nog geen filmpje mee downloaden en het kostte goudgeld. We redden het doordat de natuur ons ook wat oplevert. We verkopen visvergunningen voor de rivier, drijfhout dat aanspoelt gaat de haard in en we verzamelen en verkopen dons van eidereenden, de beste kwaliteit dons die er is. Dat zijn aanvullende verdiensten die we goed kunnen gebruiken.’

Zo nu en dan is de natuur zo goed nog wat extra’s te leveren. ‘Vorig jaar spoelde een dode walvis aan. Het skelet kunnen we waarschijnlijk voor rond de 700 euro verkopen. Van het vlees kunnen onze bordercollies de hele winter eten.’

 

Dit artikel komt uit Juist 34 (december 2016)